'T EN IS DE BLONDHEID NIET ...
't En is de blondheid niet van uw gestruiveld haar,
't En is uw voorhoofd niet, zo machtig opgerezen,
't En is uw winkbrauw niet, noch uwen mond geprezen
En vieriglijk aanbeên van zo menig minnaar,
't En zijn uw lipkens niet die elkeen voorwaar
Wonden als 't hen gelieft en wederom genezen,
't En zijn uw deugden niet, noch uw bevallig wezen,
Noch het toov'rig gelaat dat in u schijnt eenpaar,
't En zijn uw wangen niet, met purperrood begoten,
't En zijn de perels niet in uwen mond gesloten,
't En is uw tale niet, nochtans als honing zoet,
Maar 't geen mijn jeugd als een blad komt verdrogen
En mijn jonkjarig hart van binnen branden doet,
En is anderzins niet dan 't raaisel van uw ogen.
Justus de Harduwijn (1582-1636)
uit: De weerliicke liefde tot Roose-mond (1613)